The Hearing Triptych - Drie blogs over luisteren, menselijkheid en de keuzes die wij als samenleving maken
- Art of Hearing | Dyon Scheijen

- 9 jul
- 8 minuten om te lezen

Deel 1 - Voetbal
Man, o, man.
Ik heb er eerlijk gezegd helemaal niets mee. Sterker nog: ik irriteer me er vaak mateloos aan.
En toch kon ik de afgelopen weken niet anders dan kijken. Niet omdat het spel mij ineens raakte. Maar omdat het opnieuw pijnlijk zichtbaar maakte hoe sport allang niet meer alleen sport is.
Voetbal is entertainment. Voetbal is economie. Voetbal is politiek. Voetbal is macht. Voetbal is emotie. Voetbal is identiteit.
En misschien is dat precies waarom ik ben blijven kijken. Niet naar de wedstrijden zelf, maar naar alles wat zich daaromheen afspeelde.
De volle stadions. De wereldleiders op de tribunes. De miljarden die rondgaan. De reclame. De commerciële belangen. Het nationalisme. De grote woorden over verbinding, terwijl achter de schermen vooral geld en macht de lijnen lijken uit te zetten.
Dan wordt fair play ineens een vreemd begrip.
Want hoe eerlijk is een spel nog wanneer het decor wordt gebouwd door belangen die veel groter zijn dan het spel zelf? Wanneer sport wordt gebruikt door machthebbers om zichzelf te tonen als modern, succesvol, verbindend of onaantastbaar? Wanneer stadions tempels worden van spektakel, terwijl de gewone samenleving ondertussen piept en kraakt?
Dat is misschien wat mij het meest raakt.
Niet dat mensen genieten van voetbal. Dat begrijp ik juist. Mensen hebben ontspanning nodig. Iets om samen voor te juichen. Iets om even boven zichzelf uit te stijgen. Iets om bij te horen.
Maar ergens schuurt het.
Want terwijl er miljarden omgaan in transfers, televisierechten, sponsoring, stadions, beveiliging, hospitality en prestigeprojecten, staan in de zorg mensen onder druk die iedere dag opnieuw proberen de menselijkheid overeind te houden.
In het stadion wordt iedere seconde verkocht.
In het verpleeghuis wordt iedere minuut geteld.
Daar, op de tribunes, zitten tienduizenden mensen naast elkaar. Juichend. Zingend. Schreeuwend. Opgenomen in één groot collectief verhaal.
En tegelijkertijd zitten er, niet eens zo ver daarvandaan, ouderen in huiskamers van verpleeghuizen. Soms stil. Soms verward. Soms wachtend. Op bezoek. Op aandacht. Op iemand die even naast hen komt zitten.
Oorlogen verdwijnen niet omdat er wordt gevoetbald. Armoede verdwijnt niet omdat iemand kampioen wordt. Eenzaamheid verdwijnt niet wanneer een stadion juicht. En personeelstekorten in de zorg verdwijnen niet omdat er ergens een beker omhoog wordt gehouden.
Toch richten we onze blik telkens weer op het spektakel.
Dat is geen verwijt aan de supporter. Misschien is die supporter zelf ook moe. Overwerkt. Bezorgd. Zoekend naar iets wat nog even eenvoudig voelt. Winst of verlies. Wij tegen zij. Vreugde of verdriet. Negentig minuten waarin de wereld overzichtelijk lijkt.
Maar de wereld is niet overzichtelijk.
De wereld is een systeem waarin geld niet zomaar verdwijnt. Geld stroomt. En iedere euro die ergens met enorme kracht naartoe stroomt, stroomt dus niet ergens anders naartoe.
Ik keek naar zo’n stadion met tienduizenden mensen en ineens dacht ik: iedere stoel wordt bezet door een mens. Een mens met een eigen verhaal. Een eigen geschiedenis. Eigen verdriet. Eigen dromen. Eigen angsten. Eigen verliezen. Eigen liefde.
En misschien willen al die mensen uiteindelijk precies hetzelfde.
Gezien worden. Gehoord worden. Erbij horen.
Dat geldt voor de supporter. Voor de voetballer. Voor de scheidsrechter. Voor de steward. Voor de schoonmaker die na afloop de tribunes weer leegmaakt. Voor de verpleegkundige die na haar avonddienst thuis op de bank naar de samenvatting kijkt. Voor de oudere die in het verpleeghuis wacht tot iemand even tijd heeft. Voor jou. Voor mij.
“Horen is meer dan enkel de oren.”
Die zin gebruik ik vaak in mijn werk als audioloog. Maar misschien geldt hij veel breder.
Misschien begint luisteren niet bij geluid. Misschien begint luisteren bij de bereidheid om werkelijk nieuwsgierig te zijn naar het verhaal van de ander.
Ook naar de verhalen die niet schreeuwen. Niet zingen. Niet juichen. Niet op televisie komen.
Want achter iedere juichende supporter zit een mens. Maar achter iedere stille oudere ook. Achter iedere zorgmedewerker ook. Achter iedere lege blik ook. Achter iedere vermoeide hand die tóch nog een andere hand vasthoudt ook.
Misschien is dat wel de grootste uitdaging van deze tijd.
Niet harder leren spreken. Niet nog grotere stadions bouwen. Niet nog meer spektakel creëren.
Maar opnieuw leren luisteren naar wat zacht is geworden.
Naar wat bijna niet meer wordt gehoord.
En misschien begint dat niet in het stadion.
Maar in een verpleeghuis.
Deel 2 - Op vakantie
De afgelopen maanden hebben mijn broers en ik samen met de huisarts, de casemanager en de begeleiding gezocht naar een goede plek voor onze tante. Een plek waar zij veilig kon wonen.
Dat klinkt eenvoudig. Maar dat is het niet.
Want wanneer neem je iemand de sleutel van haar eigen huis af? Wanneer zeg je dat zelfstandig wonen niet meer gaat? Wanneer besluit je dat de vrijheid die iemand altijd heeft gehad, niet langer opweegt tegen de risico’s?
Het zijn vragen waar geen handleiding voor bestaat.
Mijn tante woonde haar hele leven zelfstandig met haar man in hun vrijstaande huis. Met een eigen voordeur, een eigen tuin, een eigen ritme. Een eigen leven.
En dan komt er een moment waarop dat niet meer kan.
In onze maatschappij lijkt er dan maar één richting over te blijven. Van volledig zelfstandig… naar een klein kamertje in een verpleeghuis.
De wereld wordt ineens heel klein. Heel klein.
Gisterenavond was ik weer bij haar in Valkenheim. En daar zag ik iets wat ik niet had verwacht.
Mijn tante heeft er een vriendin gevonden. Ze zitten iedere dag samen. Ze wandelen samen. Ze drinken koffie samen. Ze praten samen.
Een verzorgende zei tegen mij: “Wat fijn dat zij elkaar hebben. Anders zouden ze met bijna niemand meer kunnen praten.”
Even later zei die mevrouw zelf: “Als wij elkaar niet hadden, hadden we niemand om mee te praten.”
Die woorden bleven hangen.
Nog bijzonderder was misschien wel dat ze allebei denken dat ze op vakantie zijn. En misschien… is dat ergens ook hun redding.
Vanuit dat perspectief maken ze er samen het beste van. Ze kijken uit naar de volgende maaltijd. Ze maken een wandeling. Ze wachten op bezoek. Ze hopen.
Dat vakantiegevoel houdt hen letterlijk en figuurlijk op de been.
Even later zei de mevrouw: “Laten we hopen dat we voor Kerst weer thuis zijn. Maar dat denk ik niet.”
En daarna volgde een zin die me diep raakte.
“Wij zijn oud. Naar ons wordt toch niet meer geluisterd.”
Ik keek om me heen.
Op de achtergrond zaten mensen die een heel andere werkelijkheid beleven. Mensen die voor zich uit staren. Mensen die leven in een wereld waar wij nauwelijks nog bij kunnen.
Dat beeld deed me denken aan One Flew Over the Cuckoo’s Nest.
Niet vanwege de mensen die er werken. Integendeel. Juist de medewerkers raakten me misschien nog wel het meest.
Iedere dag opnieuw proberen zij, ondanks alle regels, protocollen, personeelstekorten en beperkte budgetten, de menselijkheid overeind te houden.
Een hand op een schouder. Een grapje. Een blik van herkenning. Even gaan zitten. Luisteren. Echt luisteren.
Dat lijkt zo vanzelfsprekend. Maar misschien is het wel het kostbaarste wat je een ander kunt geven.
Ik vraag me soms af hoeveel ruimte zij daar nog voor krijgen. Hoe lang we kunnen blijven verwachten dat zorgmedewerkers met steeds minder mensen, steeds minder tijd en steeds minder middelen dezelfde warmte blijven geven.
Want menselijkheid laat zich niet vangen in een spreadsheet. Aandacht past niet in een begroting. En liefde is niet uit te drukken in minuten per cliënt.
“Horen is meer dan enkel de oren.”
Die zin gebruik ik vaak in mijn werk als audioloog. Gisteren kreeg die zin opnieuw betekenis.
Luisteren is iemand laten voelen dat hij of zij er nog toe doet. Dat iemand niet alleen patiënt is. Niet alleen cliënt. Niet alleen een kamernummer. Maar boven alles… mens.
Deel 3 - De prijs van onze keuzes
Na mijn bezoek aan Valkenheim bleef één vraag door mijn hoofd spoken.
Niet of er te weinig geld is. Maar waar het geld naartoe stroomt.
Dat zijn namelijk twee heel verschillende vragen.
We horen steeds dat de zorg duurder wordt. Dat de premies stijgen. Dat er te weinig personeel is. Dat de werkdruk te hoog is. Dat er efficiënter gewerkt moet worden.
En tegelijkertijd lijken bedragen die een generatie geleden onvoorstelbaar waren, inmiddels bijna normaal. Transfers van honderden miljoenen. CEO’s die bonussen ontvangen waar duizenden mensen een leven lang voor zouden moeten werken. Vermogens die groter zijn dan de economie van complete landen.
Neem Elon Musk. Of eigenlijk maakt de naam bijna niet eens uit.
Het gaat niet om één persoon. Het gaat om een systeem waarin één mens een vermogen kan opbouwen dat zó groot is, dat je met een fractie daarvan miljoenen mensen direct uit acute nood zou kunnen helpen.
Laat dat even binnenkomen.
Dat is geen verwijt aan één individu. Het is een vraag aan ons allemaal.
Wat zegt dat over de samenleving die wij samen hebben gebouwd?
Ik ben geen econoom. Maar als natuurkundige weet ik wel dat je naar een systeem als geheel moet kijken.
Alles hangt met alles samen.
Geld verdwijnt niet. Geld stroomt.
Iedere euro die ergens terechtkomt, komt ergens vandaan. Iedere keuze die wij maken als consument, als belegger, als ondernemer, als overheid of als samenleving, bepaalt mede waar dat geld uiteindelijk belandt.
Misschien is dát wel de vraag die we ons veel vaker zouden moeten stellen.
Niet alleen: hoe creëren we meer welvaart? Maar vooral: hoe verdelen we onze aandacht, onze middelen en onze verantwoordelijkheid?
Want uiteindelijk laat geld iets zien. Niet alleen economische waarde. Maar ook morele waarde. Het laat zien wat wij belangrijk vinden.
In Valkenheim zag ik medewerkers die, ondanks personeelstekorten, regels, protocollen en beperkte budgetten, iedere dag opnieuw proberen de menselijkheid overeind te houden.
Een hand vasthouden. Een glimlach. Even gaan zitten. Echt luisteren.
Dat levert geen beurskoers op. Geen bonus. Geen aandeelhouderswaarde.
Maar misschien is dát wel de grootste rijkdom van een samenleving.
We gaan er maar al te gemakkelijk van uit dat zorg altijd zorg zal blijven. Alsof menselijkheid vanzelfsprekend is. Alsof aandacht uit het niets ontstaat. Alsof verzorgenden, verpleegkundigen en begeleiders eindeloos kunnen blijven geven, ook wanneer zij zelf onder druk staan.
Maar achter de zorg staan mensen. Mensen met een eigen huis. Een gezin. Een hypotheek. Boodschappen. Zorgen. Verlangens.
Ook zij willen brood. Ook zij willen spelen. Ook zij willen een goed leven. Net als ieder ander mens.
En misschien vergeten we dat te vaak.
Dat zorg niet alleen vraagt om roeping. Maar ook om ruimte. Om tijd. Om waardering. Om fatsoenlijke omstandigheden.
Want een samenleving die wil dat mensen goed voor anderen zorgen, moet ook goed zorgen voor de mensen die die zorg dragen.
Ik vraag me soms af waar de mensen zijn die het grotere geheel bewaken.
Wie stelt nog de vraag of de balans zoek raakt? Wie durft bij te sturen wanneer verschillen steeds groter worden? Wie kijkt niet alleen naar economische groei, maar ook naar menselijke groei?
“Horen is meer dan enkel de oren.”
Misschien geldt dat niet alleen voor de zorg. Misschien geldt het ook voor onze economie.
Want luisteren is meer dan cijfers horen.
Luisteren is begrijpen wat die cijfers betekenen voor echte mensen. Voor de oudere in een verpleeghuis. Voor de verpleegkundige die tijd tekortkomt. Voor de starter die geen huis meer kan betalen. Voor de jonge generatie die zich afvraagt of het systeem er nog wel voor hen is.
Na deze drie blogs blijft voor mij uiteindelijk één vraag over.
Niet hoeveel rijkdom wij als samenleving kunnen creëren. Maar of die rijkdom uiteindelijk ook bijdraagt aan iets wat veel belangrijker is.
Een samenleving waarin ieder mens zich gezien voelt. Gehoord voelt. En weet dat hij of zij ertoe doet.



Opmerkingen