Aan de andere kant van de tafel


Over beschaving en dankbaarheid
Er was één zin van Jort Kelder die bij mij bleef hangen:
“Burn-out bestaat niet.”
Je kunt daar een discussie over voeren. Over definities, diagnostiek, medicalisering, wat we precies wel of niet onder een burn-out verstaan. Dat gesprek mag gevoerd worden. Maar dat is niet wat mij raakte.
Mij raakte iets anders.
De vanzelfsprekendheid waarmee woorden vanaf een groot publiek podium kunnen worden uitgesproken over mensen die zelf zelden aan die tafel zitten.
Ik zie die mensen al meer dan vijfentwintig jaar in mijn spreekkamer. Mensen die proberen vol te houden. Die willen werken. Die verantwoordelijkheid voelen voor hun gezin, hun collega’s, hun patiënten of hun werkgever. Mensen die soms veel langer doorgaan dan goed voor hen is en uiteindelijk vastlopen in hun lichaam, hun hoofd of allebei.
Zij zitten meestal niet bij een talkshow om uit te leggen hoe hun werkelijkheid eruitziet. Er wordt wél over hen gesproken. Over ziekteverzuim. Arbeidsongeschiktheid. WIA. Psychische klachten. Kosten. Productiviteit. Betaalbaarheid.
Achter ieder van die woorden zit een mens.
Misschien raakte de uitspraak van Kelder mij altijd al daarom. En misschien komt zij nu nog iets harder binnen omdat ik zelf, onverwacht, aan de andere kant van de tafel terecht ben gekomen.
In mijn LinkedIn-bericht over Kelder schreef ik daar eigenlijk maar één zin over:
“Ik zit op dit moment thuis met een burn-out.”
Mijn bericht ging niet over mij. Het ging over woorden, macht, sociale zekerheid en over mensen met een groot podium die soms met enorme stelligheid spreken over levens die ver van hun eigen werkelijkheid afstaan.
Maar van alles wat ik schreef, bleek juist die ene persoonlijke zin gelezen te worden.
De afgelopen dagen stroomden de reacties binnen. Publiek, maar vooral ook privé. Van collega’s, vrienden, familie, mensen uit mijn vakgebied, mensen die ik jaren niet had gesproken. Sommigen schreven een paar regels. Anderen vertelden hun eigen verhaal. Mensen belden gewoon even.
En opvallend vaak hoorde ik:
Ik ben daar ook geweest.
Een collega uit het LFG-vakgebied belde mij. Hij heeft zelf enkele jaren geleden een burn-out doorgemaakt. Hij kwam niet met een oplossing. Geen stappenplan. Geen lijst met dingen die ik morgen anders moest gaan doen. Hij luisterde, herkende en gaf vertrouwen.
Hij spiegelde mij iets terug wat me raakte. Mijn empathie. Mijn oog voor detail. De neiging om eerst de ander het woord te geven. Goed te luisteren. Verantwoordelijkheid te voelen. Eigenschappen die soms misschien veel energie vragen, maar die tegelijkertijd behoren tot de kwaliteiten die ertoe doen in de zorg.
Die hoef ik dus niet kwijt te raken.
De uitdaging ligt ergens anders: ze blijven inzetten zonder mezelf daarin te verliezen.
Sindsdien loopt er één zin met me mee:
Ik hoef niet minder te worden van wie ik ben. Ik moet leren mezelf mee te nemen in hoe ik er voor anderen ben.
Dat telefoontje maakte me opnieuw bewust van iets heel eenvoudigs: woorden doen ertoe.
De ene mens kan zeggen: burn-out bestaat niet.
Een ander zegt: ik herken waar je zit. Het komt weer. Neem je tijd.
Beide zijn woorden. Maar ze doen iets totaal anders.
Woorden kunnen verkleinen, wegzetten of twijfel zaaien. Ze kunnen ook ruimte maken, hoop geven en iemand laten voelen: ik zie je.
Daarin dragen we volgens mij allemaal verantwoordelijkheid. Zeker wie een groot podium heeft, maar uiteindelijk ieder mens. Niet omdat we alleen nog maar voorzichtig of vriendelijk zouden moeten spreken. Een scherp debat is soms nodig. Tegenspraak ook. Maar vrijheid om te spreken ontslaat niemand van de verantwoordelijkheid om na te denken over wat woorden doen.
Misschien raakt dat ook precies aan mijn vak. Audiologie gaat over horen. Maar horen en luisteren zijn twee totaal verschillende dingen.
De afgelopen jaren heb ik dat proberen te vangen in mijn Hearing Triptych: Physics, Brain en Human Experience. Dat derde paneel gaat over alles wat niet netjes in een audiogram, meting of diagnose past. Werk. Relaties. Angst. Slaap. Ouders. Kinderen. Identiteit. Verlies. Bestaanszekerheid. De vraag wie je nog bent wanneer iets wat jarenlang vanzelfsprekend was ineens niet meer lukt.
Ik heb jarenlang aan één kant van de tafel gezeten en geprobeerd dat derde paneel bij mijn patiënten te zien.
Nu zit ik tijdelijk aan de andere kant.
En daar verandert het uitzicht.
Niet omdat ik ineens andere kennis heb. Wel omdat sommige dingen anders binnenkomen wanneer ze niet alleen onderdeel zijn van je professionele werkelijkheid, maar van je eigen leven.
Neem een sociaal vangnet.
Zolang je gezond bent en werkt, zijn WW, WIA, loondoorbetaling bij ziekte en re-integratie gemakkelijk woorden uit beleidsstukken. We kunnen er percentages van maken, prikkels, kosten, hervormingen.
Tot je zelf even niet verder kunt.
Dan wordt een vangnet iets heel anders. Tijd. Ruimte. De wetenschap dat niet onmiddellijk alles onder je vandaan wordt getrokken terwijl jij probeert weer op je voeten te komen.
Een vangnet is geen cadeautje aan een ander. Het is een afspraak die we met elkaar maken vóórdat we weten wie er zal vallen.
Vandaag ben ik dat even.
Morgen misschien iemand anders.
En dat is niet alleen mijn persoonlijke ervaring. In de zorg zien we dit iedere dag. Niet alleen in de audiologie, maar bij huisartsen, in ziekenhuizen, in de GGZ, revalidatie, ouderenzorg en arbeid. We ontmoeten voortdurend mensen wier levens niet meer passen in het plaatje dat ooit voor hen vanzelfsprekend leek.
Juist daarom maak ik me al langer zorgen om de zorg.
Niet om de mensen die erin werken. Integendeel. Ik zie zoveel betrokken professionals die ondanks alles blijven proberen om de mens achter het dossier te zien. Die nog even bellen. Die over hun eigen specialisme heen kijken. Die een collega inschakelen omdat ze beseffen dat niemand alle antwoorden alleen heeft.
Maar het systeem kraakt en piept. Wachtlijsten, personeelstekorten, administratieve druk, financiële kaders, steeds minder tijd. En steeds opnieuw klinkt de taal van efficiëntie, productie en betaalbaarheid.
Natuurlijk moet zorg georganiseerd en betaald worden. Maar soms wil ik de vraag omdraaien:
wat zijn we eigenlijk aan het organiseren? Een systeem, of zorg voor mensen?
Daarom stoort het mij wanneer juist de mensen met de grootste financiële zekerheid zo gemakkelijk vertellen hoeveel zekerheid een ander nodig heeft. Ik schreef eerder al over de witte, welgestelde man die zo vanzelfsprekend aan onze publieke tafels zit. Niet omdat iedere witte man rijk of arrogant is - ik ben zelf een witte man - maar omdat er een maatschappelijk patroon achter zit. Wie krijgt het podium? Wie mag duiden? Wie wordt als vanzelfsprekend deskundig gevonden? En over wie wordt vooral gesproken?
Jort Kelder is voor mij daarvan een zichtbaar symbool geworden. Niet de oorzaak van het probleem, wel een herkenbare merknaam ervan.
Veel geld hebben is geen moreel gebrek. Succes evenmin. Ik ben zelf ondernemer en geloof in ambitie, creativiteit en iets opbouwen. Maar financiële zekerheid is ook geen expertise over kwetsbaarheid. Een buitengewoon comfortabele maatschappelijke positie blijft een perspectief. Niet dé werkelijkheid.
En misschien is dat waarom het woord beschaving de afgelopen dagen steeds vaker door mijn gedachten gaat.
Er gaat een oud verhaal rond over een genezen dijbeen als het allereerste symbool voor beschaving. Geen wapen of werktuig. Geen gebouw of geschrift.
Een genezen dijbeen.
Een ernstig gebroken dijbeen betekende namelijk in vroege menselijke gemeenschappen dat iemand niet kon jagen, niet kon vluchten en niet zomaar verder kon trekken. Als zo’n bot toch genezen is, betekent dat in ieder geval iets heel menselijks: iemand moet gebleven zijn. Iemand moet voedsel hebben gebracht. Bescherming hebben geboden. Tijd hebben gegeven.
Iemand moet besloten hebben:
jij kunt nu niet verder, maar daarom laten we je niet achter.
Ik vind dat een buitengewoon krachtig beeld.
Misschien zijn onze ziekenhuizen, sociale verzekeringen, WIA, revalidatie en psychologische zorg wel heel geavanceerde versies van datzelfde principe.
We hebben er wetten, formulieren, financieringssystemen en instellingen omheen gebouwd, maar onder al die ingewikkeldheid ligt nog steeds dezelfde elementaire vraag:
wat doen wij wanneer iemand naast ons valt?
Lopen we door?
Of blijven we even staan?
Dat is voor mij beschaving.
En misschien is dat ook waarom alle reacties van de afgelopen dagen mij zo hebben geraakt. Mensen lazen één zin. Ze hoefden niets op te lossen. Ze stuurden een berichtje. Belden. Deelden hun eigen ervaring. Ze bleven heel even staan.
Daar ben ik oprecht dankbaar voor.
Niet alleen omdat het mij persoonlijk goed doet, maar ook omdat het mij bevestigt in iets wat ik als zorgprofessional eigenlijk al wist: mensen zijn niet alleen individuen die toevallig naast elkaar leven. We hebben elkaar nodig. Vandaag ben ik degene die luistert. Morgen degene die gehoord moet worden. Vandaag zorg ik. Morgen heb ik misschien zelf zorg nodig.
Dat inzicht wordt voor mij alleen maar belangrijker wanneer we maatschappelijk discussiëren over zorg, WW, WIA, economie en miljarden voor defensie. Natuurlijk moeten we onze veiligheid serieus nemen. Maar ook daarbij wil ik steeds één vraag blijven stellen:
wat voor samenleving willen we eigenlijk verdedigen?
Voor mij is veiligheid niet alleen een grens, een leger of een wapensysteem. Veiligheid is ook weten dat je niet onmiddellijk alles verliest wanneer je ziek wordt. Dat een kind hulp krijgt wanneer het vastloopt. Dat iemand die na dertig jaar werken arbeidsongeschikt raakt niet ineens alleen nog als kostenpost wordt gezien.
Dat wij tegen elkaar blijven zeggen:
als jij valt, laten wij je niet zomaar liggen.
Dus dit blog is uiteindelijk vooral een dankjewel.
Aan iedereen die de afgelopen dagen schreef, belde, luisterde of gewoon even liet weten dat hij of zij aan mij dacht.
Mijn eerdere bericht ging niet over mij. Ook dit verhaal gaat uiteindelijk niet over mij.
Mijn eigen ervaring laat me alleen nog scherper voelen wat patiënten mij al jarenlang laten zien: hoe snel een mens aan de andere kant van de tafel terecht kan komen.
Misschien moeten we die tafel daarom minder vaak zien als een scheidslijn tussen degene die sterk is en degene die kwetsbaar is.
Want morgen kunnen de stoelen zomaar verwisseld zijn.
En misschien begint beschaving precies op het moment dat we dat beseffen.



Opmerkingen