De wereld op z’n kop
- Art of Hearing | Dyon Scheijen

- 2 jul
- 7 minuten om te lezen

Op dagen waarop de temperatuur bijna onmenselijk wordt, zie je soms scherper hoe onze wereld werkelijk in elkaar zit.
Als het buiten boven de veertig graden wordt.
Als stenen warmte terugkaatsen.
Als asfalt lijkt te branden.
Als wij binnen de gordijnen sluiten, verkoeling zoeken en zeggen dat het eigenlijk niet te doen is.
Dan zijn er mensen die gewoon doorgaan.
De stratenmaker op zijn knieën boven hete tegels.
De dakdekker op een dak zonder schaduw.
De vuilnisman of vuilnisvrouw achter de wagen, tussen warm asfalt en afval.
De postbode die van deur naar deur blijft gaan.
De pakketbezorger in een bus die voelt als een oven.
De bouwvakker, hovenier, chauffeur, verkeersregelaar, onderhoudsmonteur en schoonmaker.
Mensen die niet zomaar kunnen zeggen: vandaag werk ik even thuis.
Mensen die niet achter glas zitten met airco.
Mensen die niet tijdens een luxe lunch spreken over efficiëntie, productiviteit of kostenbesparing.
En juist op zulke dagen valt het mij extra op hoeveel respect we zouden moeten hebben voor de mensen die onze samenleving letterlijk draaiende houden.
De mensen die er voor mij misschien wel het meest toe doen.
En hoe pijnlijk het is dat juist zij vaak het minst verdienen, het minste aanzien krijgen en het snelst als vanzelfsprekend worden gezien.
Dat is de wereld op z’n kop.
Want wie houdt de samenleving overeind?
Niet alleen de bestuurders.
Niet alleen de mensen met grote salarissen, mooie titels en zichtbare posities.
Niet alleen de mensen die op afstand beslissen over werk, zorg, onderwijs, huren, premies en gemeentelijke lasten.
Maar juist ook zij.
Zorgverleners.
Verpleegkundigen.
Verzorgenden.
Arts-assistenten.
Mensen in de thuiszorg.
Mensen in verpleeghuizen.
Mensen die wassen, tillen, troosten, luisteren en blijven wanneer anderen weggaan.
Leerkrachten.
Docenten.
Onderwijsassistenten.
Mensen in de kinderopvang.
Mensen die niet alleen taal, rekenen en kennis overbrengen, maar ook veiligheid, vertrouwen, aandacht en hoop.
Stratenmakers.
Loodgieters.
Dakdekkers.
Elektriciens.
Bouwvakkers.
Schilders.
Stukadoors.
Monteurs.
Hoveniers.
Mensen die ervoor zorgen dat onze huizen blijven staan, onze daken dicht zijn, ons water stroomt, het licht aangaat en onze straten begaanbaar blijven.
Vuilnismannen en vuilnisvrouwen.
Schoonmakers.
Rioolwerkers.
Mensen die letterlijk opruimen wat wij achterlaten.
Vaak vroeg in de ochtend, wanneer de rest van de wereld zich nog eens omdraait.
Buschauffeurs.
Vrachtwagenchauffeurs.
Treinmachinisten.
Postbodes.
Pakketbezorgers.
Mensen in de supermarkt.
Mensen in de horeca.
Mensen achter balies, loketten en telefoons.
Mensen die zorgen dat voedsel, medicijnen, brieven, pakketten, mensen en goederen blijven bewegen.
En toch noemen we hen nog te vaak “uitvoerend personeel”.
Alsof denken meer waard is dan doen.
Alsof een spreadsheet belangrijker is dan een schoon bed.
Alsof een vergadering meer aanzien verdient dan iemand die in de volle zon een dak repareert.
Alsof een bonus aan de top vanzelfsprekender is dan een fatsoenlijk salaris aan de basis.
Dat klopt niet.
Sterker nog: dat is misschien wel een van de grootste vergissingen van onze tijd.
We hebben een samenleving gebouwd waarin status te vaak gekoppeld is aan inkomen, bezit, zichtbaarheid en macht.
Maar misschien zouden we status opnieuw moeten verbinden aan bijdrage.
Aan zorgzaamheid.
Aan betrouwbaarheid.
Aan vakmanschap.
Aan menselijkheid.
Want juist de mensen die wij vaak te weinig zien, maken deze wereld elke dag een beetje mooier.
Zij zorgen ervoor dat een oudere niet alleen blijft.
Dat een kind zich gezien voelt.
Dat een patiënt niet alleen een dossier is.
Dat een straat weer veilig wordt.
Dat een huis weer leefbaar is.
Dat afval verdwijnt.
Dat eten in de winkel ligt.
Dat wij ergens kunnen komen.
Dat een school, ziekenhuis, kantoor of bedrijf schoon en bruikbaar blijft.
Zij houden niet alleen systemen draaiende.
Zij houden het menselijke in de samenleving levend.
En ergens anders, hoger op de ladder, zien we soms het tegenovergestelde gebeuren.
Niet bij iedereen.
Laat dat duidelijk zijn.
Geld verdienen mag.
Succes mag.
Ondernemerschap mag.
Talent mag beloond worden.
Ook hard werken aan de top bestaat.
Ook verantwoordelijkheid dragen kan zwaar zijn.
En het gaat er niet om mensen met bezit, succes of meerdere huizen weg te zetten als slechte mensen.
Zo eenvoudig is het niet.
Veel mensen hebben hard gewerkt, risico genomen, opgebouwd, geïnvesteerd en keuzes gemaakt die binnen ons systeem logisch of zelfs verstandig lijken.
Maar juist daarom begint de echte vraag misschien niet bij schuld.
Maar bij bewustzijn.
Durven we onszelf de vraag te stellen:
profiteer ik misschien ook van een systeem waarin anderen de ladder vasthouden, terwijl ik hoger kan klimmen?
Draag ik misschien ook bij aan een wereld waarin huizen steeds vaker bezit worden in plaats van thuis?
Waarin arbeid aan de basis te goedkoop wordt ingekocht?
Waarin gemak voor de één soms leunt op onzichtbare druk voor de ander?
Niet om onszelf kapot te schamen.
Maar wel om wakker te blijven.
Want beschaving begint misschien niet bij perfect zijn.
Maar bij de bereidheid om eerlijk te kijken naar onze eigen plek in het geheel.
Er ontstaat iets gevaarlijks wanneer rijkdom losraakt van verantwoordelijkheid.
Wanneer bezit niet meer verbonden is met besef.
Wanneer mensen gaan geloven dat de wereld van hen is omdat zij haar kunnen kopen.
Dan worden huizen beleggingsobjecten.
Dan worden steden vakantieparken.
Dan worden dorpen plekken waar locals niet meer kunnen wonen, omdat huizen te duur worden.
Dan wordt zorg een markt.
Dan wordt onderwijs een kostenpost.
Dan wordt arbeid iets wat je zo goedkoop mogelijk inkoopt.
Dan worden mensen “handjes”, “capaciteit”, “personeel” of “werkvolk”.
Woorden doen ertoe.
Want zodra je mensen als kostenpost gaat zien, raak je langzaam kwijt dat het mensen zijn.
Mensen met rugpijn.
Mensen met kinderen.
Mensen met ouders die zorg nodig hebben.
Mensen met dromen.
Mensen met vermoeidheid.
Mensen met trots.
Mensen met zorgen over boodschappen, huur, energie en schoolspullen.
Mensen die aan het einde van de maand moeten rekenen, terwijl anderen vooral rekenen hoeveel rendement hun bezit dit jaar heeft opgeleverd.
Elke euro die ergens verdiend wordt, komt ergens vandaan.
In de zorg komt geld uit premies die we allemaal betalen.
In gemeenten uit belastingen.
In bedrijven uit arbeid van velen.
In vastgoed uit huur die iemand anders moet ophoesten.
In dienstverlening uit tijd, aandacht en beschikbaarheid van mensen.
Rijkdom ontstaat nooit in een vacuüm.
Achter bijna elk succes staan mensen die het mogelijk maken.
Mensen die schoonmaken nadat de vergadering voorbij is.
Mensen die de koffie hebben gebracht.
Mensen die de wegen hebben aangelegd.
Mensen die kabels hebben getrokken.
Mensen die kinderen hebben opgevangen terwijl anderen carrière konden maken.
Mensen die ouderen hebben verzorgd terwijl anderen belangrijke beslissingen namen.
Mensen die de vracht reden, de dozen tilden, de deur openden, de vloer dweilden en de rotzooi opruimden.
Daarom moeten we als samenleving opnieuw leren kijken.
Niet alleen naar wie bovenaan staat.
Maar naar wie de bodem draagt.
Want zonder bodem valt alles om.
Dat is precies wat er nu op zoveel plekken gebeurt.
De samenleving kraakt niet omdat mensen aan de basis te weinig doen.
Ze kraakt omdat mensen aan de basis te lang te weinig gezien zijn.
We spreken graag over tekorten in de zorg.
Over lerarentekorten.
Over personeelstekorten.
Over een tekort aan vakmensen.
Over mensen die niet meer willen werken.
Er is ook een ander tekort.
Een tekort aan waardering.
Een tekort aan fatsoenlijke betaling.
Een tekort aan bescherming.
Een tekort aan menselijke maat.
Een tekort aan respect voor het werk dat niet altijd glanst, maar wel noodzakelijk is.
Opvallend genoeg beseffen we vaak pas hoe afhankelijk we van deze mensen zijn wanneer ze er even niet zijn.
Tijdens een staking.
Tijdens een pandemie.
Wanneer de vuilnis blijft staan.
Wanneer de trein niet rijdt.
Wanneer de klas leeg is.
Wanneer er niemand aan het bed verschijnt.
Dan ontdekken we ineens wat altijd al waar was:
de basis van een samenleving is vaak onzichtbaar zolang zij goed functioneert.
Want op dagen van extreme hitte wordt zichtbaar wat eigenlijk altijd al waar was.
Er zijn mensen die geen keuze hebben om de warmte te vermijden.
Zij blijven doorgaan.
Niet omdat het makkelijk is.
Niet omdat het romantisch is.
Niet omdat ze geen pijn voelen, geen vermoeidheid kennen of geen grenzen hebben.
Maar omdat het werk gedaan moet worden.
Misschien zouden we juist op zulke dagen moeten stoppen met achteloos kijken.
Daarom zouden we moeten vragen:
wat hebben deze mensen nodig?
Niet alleen een applaus.
Niet alleen een compliment.
Niet alleen een bord in de kantine met “jullie zijn toppers”.
Maar betere arbeidsomstandigheden.
Fatsoenlijke lonen.
Meer zeggenschap.
Bescherming tegen extreme hitte.
Echte pauzes.
Meer waardigheid.
Meer stem.
Want waardering zonder verandering wordt al snel een vorm van beleefd wegkijken.
De wereld staat op z’n kop wanneer de mensen die haar overeind houden het minst worden gewaardeerd.
Het wordt tijd dat we haar weer rechtzetten.
Niet door iedereen met geld verdacht te maken.
Niet door succes kleiner te maken.
Niet door hard werken aan de ene kant uit te spelen tegen hard werken aan de andere kant.
Maar wel door eerlijker te kijken naar wat waarde werkelijk is.
Waarde is niet alleen winst.
Niet alleen bezit.
Niet alleen status.
Niet alleen rendement.
Waarde is ook een schoon bed.
Een veilige straat.
Een kind dat leert lezen.
Een oudere die wordt gewassen met aandacht.
Een dak dat niet lekt.
Een vuilniszak die wordt opgehaald.
Een patiënt die wordt gehoord.
Een bus die op tijd rijdt.
Een maaltijd die wordt klaargemaakt.
Een gebouw dat schoon is.
Een mens die zich gezien voelt.
Beschaving begint precies daar.
Bij de manier waarop we omgaan met de mensen die het noodzakelijke werk doen.
Bij de vraag of wij hen alleen nodig hebben, of hen ook werkelijk waarderen.
Bij het besef dat een samenleving niet mooier wordt door wie het meeste bezit, maar door wie bereid is haar samen te dragen.
En daarom denk ik op deze hete dagen aan hen.
Aan de mensen in de volle zon.
Aan de mensen in de zorg.
Aan de mensen in het onderwijs.
Aan de mensen op straat, op daken, achter wagens, in bussen, in winkels, in keukens, in gangen en achter de schermen.
Aan de mensen die vaak pas opvallen als ze er niet zijn.
Misschien zijn zij niet de mensen onderaan de ladder.
Misschien zijn zij de mensen die de ladder vasthouden.
En misschien wordt het tijd dat we dat niet alleen zeggen, maar ook laten zien.
Met loon.
Met beleid.
Met bescherming.
Met respect.
Met aandacht.
En vooral met de eenvoudige menselijke erkenning:
zonder jullie staat deze wereld stil.



Opmerkingen